Bouwgeschiedenis
Van grafelijke kapel tot stadskerk
De Pieterskerk Leiden kreeg haar huidige omvang in de vijftiende eeuw. De stijl is laatgotisch, maar haa
r oorsprong is veel ouder. Ongeveer in het midden van het schip van de huidige Pieterskerk stond rond 1100 een kapel van de graven van Holland, die in Leiden een residentie hadden. In 1121 werd de kapel verbouwd, waarna bisschop Godebald van Utrecht het opnieuw inzegende. Hoe die kapel er precies uitzag is niet bekend, er zijn geen afbeeldingen van bewaard gebleven. Waarschijnlijk was zij Romaans van stijl. In 1268 veranderde de bestemming van de kerk.
De grafelijke kapel werd parochiekerk. Als gevolg van de groei van de Leidse bevolking werd de kerk omstreeks 1300 vervangen door een groter gebouw. Vijftig jaar later kreeg deze kerk een imposante toren, 'Coningh der Zee' genaamd. Deze werd in fasen gebouwd en was uiteindelijk 110 meter hoog, inclusief de houten spits van circa 35 meter. Schippers op zee gebruikten de toren als oriëntatiepunt.
Al gauw was ook de veertiende eeuwse Pieterskerk te klein. In 1390 werd begonnen met nieuwbouw, die ongeveer 180 jaar zou duren. De belangrijkste bouwmeester was Rutger van Kampen, ook wel bekend als Rutger van Keulen. Hij was ook betrokken bij de bouw van de Bovenkerk in Kampen, tegenwoordig nog duidelijk te zien aan de stijlovereenkomsten.
De nieuwe kerk kreeg het grondplan van een Latijns kruis. Eerst werd het koor gebouwd, om het oude heen zodat de diensten gewoon doorgang konden vinden. Halverwege de bouw nam Aernt van den Dom, die ook werkte aan de Dom in Utrecht, de leiding over van de inmiddels overleden meester Rutger van Keulen. In 1412 was de bouw van het koor gereed en kon het worden gewijd. Daarna werd het schip gebouwd, aanvankelijk met slechts één zijbeuk aan beide kanten. Pas na 1450 werden de zijbeuken verdubbeld. Herman van Aken was de 'meester van het werk'.
Rond 1500 had de kerk min of meer haar huidige vorm, met twee verschillen: het dwarsschip of transept had nog de hoogte van de zijbeuken en aan de westzijde stond de onderbouw van de toren in de kerk. In 1512, echter, stortte de toren in. Een nieuwe toren is er nooit gekomen; men behielp zich met een klokkenstoel op het plein. De ruimte waar de toren had gestaan werd nu bij de kerk getrokken. Men verwijderde twee zuilen uit het transept om de bogenreeks naar de westmuur te voltooien. Buiten tegen de westmuur kwam een nieuw portaal. De transepten werden opgetrokken tot de hoogte van het schip. Het jaartal 1565, gegrift in een dwarsbalk in het zuidertransept, markeert het einde van de bouw van deze kerk. Plannen voor verdere uitbreiding, zoals een verdubbeling van de kooromgang, zijn nooit uitgevoerd.
De kerk mag dan middeleeuws zijn, de ramen zijn dat niet. Na de overgang tot de Reformatie (1572) raakten de oorspronkelijke glas-in-lood ramen in verval. De ontploffing van een schip vol met buskruit in het nabije Rapenburg (1807) liet vervolgens niets meer van de ramen over. De huidige ramen zijn dan ook negentiende-eeuws, met uitzondering van het gebrandschilderde raam achter het koor, dat uit 1940 dateert. Het is vervaardigd door George Rüter ter nagedachtenis aan Filips van Marnix van St. Aldegonde. In de zeventiende eeuw bouwde men huisjes tegen de kerk aan, waarschijnlijk naar een ontwerp van Arent van 's Gravensande. Alleen aan de zijde van het koor zijn ze bewaard gebleven.