In de middeleeuwen waren wandkleden een gebruikelijke vorm van interieurversiering. Een aparte plaats namen de erekleden in. Deze werden gehangen achter een vooraanstaand persoon met als doel zijn of haar bijzondere positie te benadrukken. Erekleden ziet men vooral bij afbeeldingen van vorsten en heiligen. Deze kleden waren gemaakt van kostbaar textiel, meestal van zijde of brocaat. Bij brocaat is goud- of zilverdraad in de stof verwerkt. Eredoeken werden ook wel geschilderd, bijvoorbeeld op zuilen, waarvoor een heiligenbeeld was geplaatst.
Zo hingen op de twaalf zuilen in het koor van de Pieterskerk oorspronkelijk beelden van de twaalf apostelen. Achter deze beelden bracht men erekleden aan. Deze waren niet van textiel en ook niet geschilderd, maar van persbrocaat of geperst brocaat. Dit was een techniek die diende om de driedimensionale structuur van kostbaar brocaat weer te geven.
Men maakte hiertoe een elastisch massa van warme bijenwas en hars, verstevigd met loodwit, lijnolie, krijt en lijm. Deze substantie werd in een koperen plaat gedrukt met daarin de gewenste textielmotieven. In de koperen plaat kon men minutieus de weefseldraden aangeven. Na afkoeling werden de vellen persbrocaat op de zuilen geplakt, beschilderd en verguld. Het persbrocaat dat de zuilen in het koor heeft gesierd was blauw en goud van kleur en vertoonde het toendertijd populaire motief van de granaatappel. Men koos blad- en bloemmotieven voor de verhoogde sierrand.
Persbrocaat werd bijna uitsluitend toegepast op hout. Dat het in de Pieterskerk op steen werd aangebracht maakt deze versieringen uniek. Zij dateren uit het einde van de 15de eeuw. Helaas zijn zij zozeer beschadigd dat restauratie niet mogelijk is; de overblijfselen zijn geconserveerd. Over deze geperste brocaten is in 2003 door de Stichting Pieterskerk Leiden een boek uitgegeven: Eredoeken in geperst brocaat (ISBN 90803079-2-0).